INTERVIEW 13
Project 23
OZ: De opname staat aan dus dan kunnen we officieel beginnen. Je had een project uitgezocht, een kantoorproject, dat iets te maken heeft met informeel ontmoeten, groepsgevoel, dat soort dingen. Kan je daar wat over vertellen?
D13: Het project wat ik heb geselecteerd is [P23]. Dat is het hoofdkantoor in het [gebouw], een rijksmonument in [gemeente]. Het is nog niet helemaal gerealiseerd, wel bijna, maar dat is 25.000 vierkante meter transformatie. Dat is best een groot project.
OZ: Ja.
D13: Ehm en ik denk dat we daar ook wel alle laatste kennis van ons bureau of expertise in hebben kunnen vertalen, dus ik denk dat dat het beste voorbeeld is voor nu.
OZ: Nou leuk. En wat hebben jullie daar gedaan op het gebied van sociale aspecten de zin van ontmoeting, onderlinge band, identiteit?
D13: Ik denk dat het belangrijkste is... Hoe het is ontstaan, het project, is: je hebt dat rijksmonument, met vier vloeren erin. Daar kwamen tussenverdiepingen in, dus er werden acht vloeren van gemaakt.
OZ: Was het zo hoog?
D13: Ja, het was zo hoog. Ja. Dus je hebt nu wel de minimale maat, 2,60m, of 2,70m hebben ze wel, maar dat is nog steeds vrij laag als je kijkt naar de schaal van het gebouw. Want het zijn eigenlijk vier halve voetbalvelden, of acht halve voetbalvelden, dus vier hele voetbalvelden op elkaar gestapeld. Dus het is echt heel groot. [Architectenbureau] heeft de cascotransformatie gedaan, dus de nieuwe gevel. 
En die hebben toen bedacht: in het midden komt er een vide, dus we gaan gaten maken in het beton. Een vide die klein begint en naar boven toe steeds groter wordt. Ook een, en die zou dan eigenlijk, daar zou de ontmoeting plaatsvinden. Dus ook de route naar boven toe, dus dat je gewoon goed met de trap een beweging krijgt, verticaal. Maar wel ook met het concept open kantoor. Dus 1800 mensen die iedere dag op vier voetbalvelden met elkaar gaan zitten werken in een open landschap. Dat is geen goed idee. 
Dus daar hebben we naar gekeken: hoe kunnen we er een interne structuur voor bedenken dat je wel ontmoeting gestimuleerd, maar je er ook gefocust kan werken. Want er moet ook, je kan niet, het kan niet n groot, open landschap zijn voor ontmoeting, dan kun je ook je werk niet doen. Dus wat we hebben gedaan is die vide heel erg ingezet om daar een dynamische zone te maken, dus. En die vide, die verspringt zeg maar. Om de verdieping is die, de ene verdieping de helft en dan twee keer zo groot, dan maar de helft, dan weer twee keer zo groot. Dus je krijgt eigenlijk een soort ruimtes die dubbel zo hoog zijn aan die vide.
OZ: Waarom hebben jullie dat gedaan?
D13: [Architectenbureau] had die videsprongen zo bedacht, en dat heeft vooral te maken met dat we in de bestaande vloeren een kleine sparing kunnen maken, en in de nieuwe vloeren was het mogelijk om een grotere sparing te maken. Anders zou het gebouw instorten. Maar wat er daardoor gebeurt is dat je dus eigenlijk om de verdieping een dubbelhoge ruimte aan een vide krijgt, in het midden, voor ontmoeten. 
En die dubbelhoge ruimte, die hebben we, daarvan hebben we gezegd dat eigenlijk iedere keer een bestaande vloer en een nieuwe vloeren is n wereld. Met dus een plek voor ontmoeten in het midden. En we hebben de routing daarin zo georganiseerd dat mensen nooit dwars door een dynamische zone hoeven, maar dat het altijd aan de raaklijn zit. Zodat zij kunnen kiezen: ik wil hier nu onderdeel van zijn of niet. Dus dat je ook de keuze hebt om door te lopen. Want als je geforceerd wordt om door zo'n zone met ontmoeting heen te gaan, dan kan dat onbehaaglijk voelen als jij gewoon een afspraak hebt, of je wil even gefocust ergens gaan werken. Je moet ook de keuze hebben om eraan voorbij te kunnen gaan.
OZ: Als je daar geen behoefte aan hebt.
D13: Ja, dat kan ook zijn. En dat als je er wel behoefte aan hebt, je de keuze hebt om ook te gaan zitten of in gesprek te gaan, of iets dergelijks. En dus eigenlijk vanuit die, heel erg die ruimtelijke kwaliteit van het gebouw, hebben we geanalyseerd: hoe gaan mensen bewegen door dat gebouw? Dus eerst echt een sociale structuur bedacht: hoeveel mensen komen, waar, wanneer en waarvoor? Dus de activiteiten. En daar het ruimtelijk plan op gemaakt, dus eigenlijk het ruimtelijk concept. Dus ook met de gesloten plekken waar je vergaderruimtes hebt, dat we er ook voor zorgen dat de route naar de vergaderplekken, of de ontmoetingsplekken die gesloten zijn, dat die niet hinderlijk is voor de mensen die daarnaast in werkzones aan het werken zijn. Dus echt het opsplitsen van die stromingen.
OZ: En waarom vond je dat belangrijk, dat dat niet hinderlijk was? Je zei net al: je moet je werk kunnen doen. Zit daar nog meer achter?
D13: Ja, het is... In een open kantoorlandschap... Ik denk dat we allemaal geleerd hebben de afgelopen jaren dat het gewoon niet zo goed werkt. En dat je afgeleid wordt als iemand bijvoorbeeld voorbijloopt. En om het gevoel hebben dat je wel ook met focus je werk kan doen en kan kiezen voor een ontmoeting als je dat wil, dat dat eigenlijk ook mensen gelukkiger maakt. Ehm, en dat dan ook de ontmoeting een positieve bijdrage heeft aan het gefocust werk kunnen doen.
OZ: Ja. Kan je iets vertellen over hoe die ontmoetingsgebieden eruit zien?
D13: Ja, ik heb ook... Wil je ook plaatjes zien, nu?
OZ: Ja, als je die hebt.
D13: Dat praat misschien wat makkelijker h. Ik heb die dus nog niet naar jou doorgestuurd, vooraf. Zie je mijn scherm?
OZ: Ja. Ik zie een plattegrond.
D13: Ja, misschien is deze het beste. Dit is dus zo'n bestaande vloer. En dan zie je hier die twee vides, hierzo en daar. En hier is een grote trap naar boven toe. En ik kan ook wel even de doorsneden erbij pakken, want dan wordt hij nog duidelijker. Hier zie je dat goed. Dus je ziet zeg maar dat die vide, die sparing, steeds groter wordt naar beneden toe. Dus deze vorm, zo.
OZ: Een beetje een v-vorm.
D13: Ja, en dan hier zit die trap naar boven toe. En wat we hebben gedaan is, want we hebben altijd in het midden bruggen, we hebben daar ook nog een trapverbinding naar beneden gemaakt, zodat je gewoon een continue routing hebt. En als je kijkt naar die ik net had, deze: we hebben een interne structuur toegevoegd die je hier ziet. Dat is eigenlijk het ritme van de gevel die naar binnen is geplaatst, op de middenas, om een soort ruimtes voor werk aan de gevel te kunnen organiseren, zonder dat... waarbij je dus... Er zit een semi-transparante invulling in, een houten frame met textiel ertussen gespannen. Waardoor je dus wel mensen ziet, maar niet direct.
OZ: Wat voor textiel, is dat dan? Transparant?
D13: Ja, semi-transparant. Ik zal even wat plaatjes laten zien.
OZ: Dus dat je ziet dat er iemand zit, daarachter, maar je ziet niet precies wie?
D13: Precies. Je ziet niet wie.
OZ: Ok. Waarom heb je dat gedaan?
D13: Dat hebben we gedaan om... Als we... Je wil eigenlijk wel, ook vooral in zo'n groot gebouw, voelen dat je onderdeel bent van een groter geheel, maar je wil je ook af kunnen schermen. En door semi-transparantie zie je wel beweging in het gebouw, maar hoeft het niet af te leiden. Dan heb je wel het gevoel dat je ergens, of bij een groep hoort, maar dan kun je je ook terugtrekken. Dus het is de balans. Daar, als dat een gesloten object zou zijn, dan wordt het te afgesloten, en was het glas geweest, dan was het te transparant geweest, want dan heb je het gevoel altijd bekeken te kunnen worden, door alle mensen die voorbijlopen.
OZ: En als je op het glas bijvoorbeeld iets van privacy-folie doet?
D13: Ja, had gekund. Wij vonden het belangrijk dat er lucht door kan gaan, en textiel absorbeert ook geluid.
OZ: Ja.
D13: Dus het doet ook iets met het absorberen van omgevingsgeluid. En glas is ook vrij hard, folie kan ook vrij hard zijn, en wij vinden textiel daarin dan een mooiere oplossing die eigenlijk ook meer functionaliteiten in zich heeft.
OZ: En 'hard', ook qua uitstraling bedoel je dan, niet alleen voor het reflecteren van geluid?
D13: Ja. Uitstraling, ook identiteit.
OZ: Ok. Ja.
D13: Ehm, hier zie je zo'n plek... Aan de gevel hebben we ook enkele tuinen gemaakt. [Er zijn grote plantenbakken te zien.] En dit is zo'n dynamische zone, waarbij we dus ook eigenlijk het ritme van het monument heel erg hebben gebruikt voor de kleinere schaal van het interieur. Dus vaste objecten die doen iets met constructie. Ook deze elementen, dat is een weerspiegeling van het ritme van de gevel dat naar binnen is gezet. 
En ook maatwerk met heel veel groen reageert op de constructie die rond is, dus die daar een offset van is. En daarmee krijgen we eigenlijk allerlei soorten, diverse plekken, in wel een meer open setting maar ook voor beschutting zorgen, voor informele gesprekken of behaaglijkheid in die omgeving.
OZ: Wat draagt volgens jou bij aan behaaglijkheid?
D13: Behaaglijkheid... Ik denk dat wat daar heel belangrijk voor is, is dat je wel overzicht hebt, maar ook enige vorm van... beschutting. Niet volledig gesloten, maar dat je een soort comfort om je heen hebt, dat misschien iets van beslotenheid kan geven, maar nog steeds wel voldoende opening geeft dat de hele plek wel een soort dynamisch karakter krijgt. Want als het te gesloten is, dan verdwijnt dat. Dus het gaat denk ik heel erg om de balans tussen: waar kun je overheen kijken, waar niet, is dat als je staat, of is dat als je zit. Kan groen daarin van betekenis zijn, dat met een kleine beweging het doorzicht wel verandert. Ehm, dus het gaat om open-dicht. Vooral.
OZ: En kun je aanwijzen hoe dat in deze afbeelding bijvoorbeeld tot uiting komt?
D13: Ja, we hebben... Kijk dit object wat hier staat, ja dit is een rendering natuurlijk, maar een divers ritme van groen is daarin gerealiseerd. Dus lager en hoger. Waardoor je eigenlijk hier een plek krijgt, aan de rechterkant, en je krijgt hier een plek. Dus hier ga je wellicht meer samenwerken, naast elkaar even op de laptop kijken, terwijl hier op een andere manier een gesprek of samenwerking kan ontstaan.
ZO: Waarom denk je dat daar op een andere manier een gesprek ontstaat? Waar zit 'm dat in?
D13: Dat zit in de... hoe je gepositioneerd bent ten opzichte van elkaar. Je zit hier met elkaar aan een grote tafel met een bepaalde breedte, dus je kan iedereen zien die aan tafel zit. Als hier een ronde tafel gepositioneerd zou zijn, dan is dat ng anders. Hier zou zich ook iemand kunnen vestigen om te werken, hier ook, maar je zou ook met een groepje daar kunnen zitten om een gesprek te voeren. En hier, dit object is meer voor twee mensen, want je gaat naast elkaar zitten, al minder voor drie. Als je met drie mensen bent, dan ga je eerder hier zitten.
OZ: Waarom is dat? Omdat die tafel korter is?
D13: Nou deze is eenzijdig, en deze is alzijdig. En als het eenzijdig is ga je nst elkaar zitten en dan is het moeilijker om een gesprek met zijn drien te voeren.
OZ: Oh, dus als je met zijn drien ook een gesprek wil voeren.
D13: Ja. Dus met zijn tween ga je eerder hier zitten en met een grotere groepsgrootte eerder aan deze kant. Ben je met zijn drien of heb je een soort van... Ja, met een grotere groep kun je ook hier gaan zitten, maar dan heb je een meer informele setting omdat er geen tafel is. Het is meer een caf-setting dan, zeg maar, een vergadertafelsetting.
OZ: Ja, die banken met die kleine tafeltjes.
D13: Ja.
OZ: Dat is dan informeler. Daar zit in de rug ook weer groen.
D13: Er zit ook groen, ja, en dat is vooral om hier een setting te kunnen maken en hierachter, dat zie je nu niet, maar daar staan ook weer setjes met een soort lager lounge-meubilair. Waardoor je daar ook eigenlijk meer aan de raaklijn van de route, want die is hier, een plek krijgt om ook daar meer informeel en laag zitten, dus niet actief, je te kunnen positioneren.
OZ: Dus je hebt verschillende plekken die verschillen in gradatie van openheid en toegankelijkheid. Er zijn er die aan de raaklijn, de looplijn liggen, iets verder daarvan af of zelfs daarvan afgekeerd. En ook nog verschillende manieren van zitten, zie ik hier, qua meubilair.
D13: Ja.
OZ: Waarom vond je die diversiteit belangrijk?
D13: Omdat er verschillende soorten ontmoetingen zijn, verschillende activiteiten, en als je n type object of n type opstelling toe zou voegen, dan wordt het een batterij van plekken zonder identiteit. Het nodigt dan minder uit. En diversiteit is ook, het kan bij een soort gesprek of bij een bepaalde, ehm, ik vind mood soms heel lastig, maar je hebt mensen hebben soms meer zin om open te zitten, of meer besloten, en beide dient aanwezig te zijn. Dus daarom is die diversiteit zo belangrijk.
OZ: Ja. Heeft dat ook nog iets te maken met de schaal, omdat dit een vrij grote ruimte is die je als ontmoetingsgebied inricht?
D13: Ja, zker heeft dat ook iets te doen met schaal. Kijk, als je deze tafel, die rechte lange die je hier rechts ziet, alleen maar hier zou kopiren, in een grote open ruimte, dan wordt het een minder aantrekkelijke plek. En in principe voeg je dezelfde schaal toe als dit object, of dit object, maar het groen zorgt er hier voor dat je eigenlijk inzoomt en uitzoomt, of vergroot en verkleint. Dat zie je bij deze nog meer. Dit is een pantry, aan deze kant, een keuken, waarbij dus ook met textiel [gordijnen] daaromheen hier echt een plek van gemaakt kan worden die meer besloten is. Of je kan dat textiel helemaal open doen en dan is het gewoon een open plek aan die vide. Dus dan heb je ook invloed op de plek zelf, als mens, wat ook wel comfort geeft.
OZ: Ja, ja. En dat textiel, dat ziet eruit als een, bijna als een soort glasgordijn zeg maar, half transparant.

D13: Ja.
OZ: En als je nou een wat persoonlijker gesprek hebt, net iets meer priv? Want je kunt daar natuurlijk wel alles horen....
D13: Ja, dan ga je... Even kijken waar ik dat goed kan laten zien, dat is denk ik vooral hier. Wat je dan doet, is dat: we hebben... Hier, dit is die pantry die ik net aanwees, die ruimte. Dus we hebben hier ook 90 meter constructie. En in deze plek, wat je hier ziet: we hebben eigenlijk de lijn van de vide doorgezet en daar is een gesloten ruimte gemaakt.
OZ: Ja.
D13: Voor twee, vier, tot 16 personen, divers. De hoofdroute is dus op deze manier: door de middenas [vanuit het ontmoetingsgebied] kun je zo deze ruimtes ontsluiten, dus niet vanaf de andere kant. En dan kun je hier...
OZ: Waarom heb je dat gedaan?
D13: Dat hebben we gedaan om de hoofdroute niet aan deze kant te laten voeren, zodat je hier ook gewoon kwalitatieve werkplekken hebt. Om verkeer te minderen. En dit is ook een soort dynamische zone maar meer rustig. Dus hier op kun je ook koffie halen of je jas ophangen, zodat deze zone meer geactiveerd wordt vanuit het midden, ook vanaf de trap hier. Waardoor de dynamiek vooral in die tussenruimte en hier plaats gaat vinden, en niet hier aan de zijkanten.
OZ: Ja, dus niet bij de werkplekken in de buurt.
D13: Ja. Dus hier zie je een sparing, hier zie je een sparing, en hier. Dus we hebben hem zo doorgesneden dat als je hier zit, je wel altijd de mensen tot aan de andere kant van de gevel waar kn nemen.
OZ: Ja. Ok. Helder. En nog iets over de vormgeving van het ontmoetingsgebied in het midden: kan je daar nog meer over vertellen, heb je daar nog bepaalde keuzes voor gemaakt, behalve dan die diversiteit die dan ook verschillende soorten gesprekken faciliteert? Heb je nog andere keuzes gemaakt om dat gebied geschikt te maken voor informeel contact en de binding met elkaar?
D13: Ja. Ik denk wat daar misschien overkoepelend voor heeft gegolden is dat... meer de esthetiek van het kantoor zelf, van de werkomgeving. Want als je kijkt naar de status quo van kantoren, dan is dat wit licht, met systeemplafonds, vloerbedekking, onderscheid op kleur - ik bedoel ik chargeer nu even heel erg h. Zeg maar van het kantoor zoals de meesten van ons dat kennen. 
En waar we hier heel erg naar gezocht hebben, en dat is in het begin ook... nou ja, dat heeft wel verschillende gesprekken nodig gehad, want iedereen van [P23] had wellicht verwacht dat we de grafische huisstijl door zouden vertalen naar het interieur. Dus een oranje interieur. Daar wilden we heel erg van wegblijven, omdat: dit moet een plek moet zijn waar mensen dagelijks komen, dus eerder een plek zoals thuis. En ook een plek waar je wl zijn in plaats van waar je met zijn. Dus die warmte en identiteit van de hele plek is ontzettend belangrijk om je hier thuis te voelen. 
En... dus we hebben meer gezocht naar een materialisatie en identiteit van die plekken die wel bij een brede doelgroep aan kan sluiten, dat veel mensen het mooi zouden knnen vinden, maar die ook weg gaat van wonen in een grafische huisstijl of werken in de grafische huisstijl.
OZ: Ok. En je zegt: het is vooral belangrijk dat ze zich daar thuis voelen. Hoe speelt het dan nog een rol dat ze wel allemaal bij [bedrijf] werken en je drmee eenheid creert?
D13: Ja, we hebben, ehm, eigenlijk een soort thuis voor [P23] gemaakt. En je ziet, er is wel... [organisatie] is herkenbaar in het gebouw, maar heel subtiel.
OZ: Ok. Hoe?
D13: We hebben samengewerkt met een bedrijf voor de grafische vertaling van hun identiteit, dus echt ook wel logo 's en signing. En dat is.. Kijk, de textielen die je net zag... Dit is natuurlijk nog een DO-render, dus we zijn daarna nog op verder gegaan, maar we hebben met een soort een patroon van [bedrijf], hebben we een soort parameters, een soort heel diversiteit, iets wat heel verdicht en dan weer uitwaaiert, een grafisch patroon ontworpen wat op die gordijnen is gedrukt. Heel subtiel zie je het op sommige elementen verwerkt. 
Ook als je binnenkomt in het gebouw, is daar gewoon een logo aanwezig van [bedrijf]. En het gebouw is ook een [voormalige functie gebouw], dus daar zit ook al heel veel identiteit in. Het is al een thuis voor [bedrijf]. Dus dan zit dat je je onderdeel voelt van een groep, van [bedrijf], zit in heel veel lagen, behalve per se dus in die hele letterlijke.
OZ: Ja. Dus niet per se het oranje overal.
D13: Nee.
OZ: Want dat wilde je niet omdat het te grafisch zou zijn en omdat dat misschien niet past in de huiselijkheid.
D13: Nou niet omdat het te grafisch per se is, maar je wil, je moet edere dag fijn kunnen werken. In een knaloranje omgeving word je hartstikke gek. Als je dat grafisch... En dat kan misschien wel voor een ontmoetingszone, maar het is heel agressief. Het is heel... het is niet uitnodigend, het is niet relaxed, het is gewoon heel erg aanwezig en het heeft invloed op de setting die je maakt in een gebouw. Dus wij vonden dat om die reden geen goed idee.
OZ: Nee, dus de huiskleur was gewoon niet geschikt wat jou betreft, voor het interieur.
D13: Nee.
OZ: Helder. Ja. En je zei net nog het zijn 1800 mensen die daar zitten.
D13: Ja.
OZ: Ja, die kunnen elkaar niet allemaal kennen. Hoe heb je misschien geholpen om de kleinere groepen, de afdelingen of teams of projectteams, om die zich met elkaar verbonden te laten voelen?
D13: We hebben daarvoor de grotere schaal opgezocht. Wat we eigenlijk hebben gezegd: twee verdiepingen is n wereld, met n hele grote ontmoetingszone. Dus we hebben niet een ontmoetingszone toegekend aan een afdeling, en daar dus een stempel voor gerepeteerd. Die typologie wordt heel vaak toegepast. Maar we hebben juist gezegd: we halen dat uit de stempel van de afdeling, dat voegen we samen, waar iedereen bij elkaar komt, en maken een diversiteit aan werkplektypes, maar die verdelen we ook over die twee verdiepingen. 
Dus je hebt ergens meer gefocust werken in een stille omgeving, ergens meer projectomgevingen, ergens een meer dynamisch interieur, waar je de setting ook kan veranderen, al naar gelang de groepsgrootte of activiteit die je gaat doen. Dus die diversiteit is georganiseerd op die twee verdiepingenschaal, waar dus meerdere afdelingen en teams gebruik van maken. En daardoor ontstaat er ook meer ontmoeting, kom je elkaar tegen, en ga je eigenlijk afdelingsoverstijgend organiseren.
OZ: En is er in die gebieden dan nog een mogelijkheid dat ze daar zelf iets aanbrengen van identiteit?
D13: Ja, we hebben bij volgens mij 50% van deze... zonescheiding hebben wij het genoemd, maar die wanden die eigenlijk dus tussen een ontmoetingszone en de verkeersroute aan de gevel staan, dus waar de werkruimtes zijn, hebben we voor 50 procent aan de andere kant glas toegevoegd. Dus daar kunnen ze op schrijven, kunnen ze ook dingen ophangen. Je ziet hier een kleine hint, maar hier is een dynamisch interieur toegevoegd wat ook... Dus wanden kun je verplaatsen, maar die wanden zijn magnetisch en beschrijfbaar. Dus je kan daar, het kunnen tijdelijke dingen zijn, maar je kan er ook gewoon dingen ophangen om zo meer een plek te maken voor een team of spullen kwijt te kunnen.
OZ: Juist, ja. Is in het gebouw al in gebruik genomen, is het al klaar?
D13: Het bouwkundige en vast is klaar, los interieur bijna, nog niet helemaal, duurt nog ongeveer anderhalve maand, en het wordt nu gebruikt door maar 150 mensen in verband met de corona. Dus het heeft nog niet in volle bezetting kunnen draaien en daar zijn we natuurlijk heel benieuwd naar hoe dat gaat zijn. Ja...
OZ: Ja, spannend. Want zo'n oplossing als wanden waar je dingen op kunt hangen en op kunt schrijven, hebben jullie dat in eerdere projecten ook gedaan? Dat je iets weet over hoe mensen dat gebruiken?
D13: Ja, dat ophangen en schrijven is eigenlijk vooral om met elkaar een soort sprints te doen. Om kennis bij elkaar te halen en te verzamelen en te delen en daarna weer mee te nemen.
OZ: Ja. Dus meer werk-inhoudelijk eigenlijk.
D13: Het is meer werkinhoudelijk. En als het om identiteit gaat... In principe heeft niemand een vaste plek, maar heb je natuurlijk wel afdelingen die een soort vlek in het gebouw tot hun beschikking hebben. En dan is het meer gekoppeld ook aan plekken die niet dynamisch zijn. Want als het dynamisch is, dan betekent dat dat het een bepaalde activiteit voor een bepaald moment ondersteunt, en dan is het dus ook vluchtig.
OZ: En dan leent het zich minder voor een bepaalde identiteit?
D13: Ja, ik denk voor... Kijk, als je het hebt over uitingen van een afdeling, dus echt hoe je zelf je fotolijstje misschien ergens ophangt, dat is op een bewegend wandsysteem daarin, dan minder.... Dat gebied is van iedereen, dus doe je dat daar minder. Maar als je een plek hebt in het gebouw waar je team meer ook vast zit, dan is dat meer, leent zich dat meer om dat te doen. Het is wel zo dat we de identiteit wel overkoepelend, waarin we ook wel met de kunst bijvoorbeeld van [P23], de kunstcollectie van [P23], die is door het hele gebouw tentoongesteld. Dus zorgt die eigenlijk ook voor een bepaalde identiteit van het hele bedrijf in het gebouw. En dus zit het minder op een soort afdelingsniveau, meer overkoepelend voor het hele bedrijf. 
En wat we ook hebben gedaan om meer onderdeel van die groep, om die verbinding te kunnen maken, is, we zijn nu het concept aan het verder uitwerken en bouwen, dat we digitale portalen naar andere plekken van [P23] in Nederland. Dus bijvoorbeeld een deur is een digitaal portaal, wat laat zien hoe [bedrijfsactiviteit] bedrijven eruit zien, of [andere bedrijfsactiviteit] in Nederland, of dat soort dingen.
OZ: Dus andere takken van het bedrijf.
D13: Ja.
OZ: Ik wil nog heel even terug naar het ontmoetingsgebied. Je zei net al: stel dat we overal knaloranje hadden moeten doen, dat is veel te hard en ik zoek naar een meer huiselijke uitstraling. Kun je benoemen wat voor jou die huiselijke uitstraling maakt, welke kleuren heb je gekozen en waarom, materialen...?
D13: Je ziet hier wit. Dat is, de kolomvoeten en de rand van de gevel die zijn wit gestuukt, zo was het monument ook, en eigenlijk is dat het enige wit dat in het gebouw zit. Dus we hebben daarnaast heel erg gekeken naar: we hebben die constructie, die is van vrij warm, zandkleurig beton. En daar hebben we eigenlijk maar twee tonen aan toegevoegd in die dynamische zone en dat is een heel donkerbruin, Oregon Pine, en groen, levend groen. En we hebben dat met een soort heel lichtgrijs voor de plafonds, die je hier ziet, zijn we naar een soort palet gegaan dat wel echt warmte in zich heeft. 
Maar waar we niet naartoe wilden is een soort wit, klinisch en reflecterend. En reflectie zit er door glas natuurlijk op sommige plekken wel in, of door... Hier zie je bijvoorbeeld, bij de tuin hebben we een RVS bank gemaakt, maar dat pakt dan dus ook de kleuren daaromheen op. Dus we hebben wel gezocht naar, want als je alles te warm doet, dan is er ook geen contrast meer. En je hebt contrast nodig om het geheel sterker te maken. Dus daarom hebben we ook wel harde materialen toegevoegd, maar die zijn altijd reflecterend. Alle pantry's zijn bijvoorbeeld ook van staal.
OZ: Ok. Je zegt net: je hebt contrast nodig om het sterker te maken. Kun je dat uitleggen?
D13: Ja, kijk, als we bijvoorbeeld... Het is denk ik, we zoeken een beetje naar de balans in een materialenpalet, dat die elkaar versterken. En als wij alleen maar hout hadden toegepast, of de wanden hier, dat is allemaal leemstuuc bijvoorbeeld. Dat zijn hele zachte, vriendelijke afwerkingen. En er mag ook iets spannends gebeuren, en daar hebben we contrast voor nodig, en dat is de reden waarom we soms dus ook heel harde reflectieve materialen hebben toegevoegd, zonder dat die per se de algehele uitstraling van een warm thuis hoeven omver te schoppen.
OZ: En je zei nog aan het begin: we hebben maar twee kleurtinten toegevoegd aan, ik zeg maar even, het het wit-grijs palet: dat donkerbruin en wat zei je: Oregon Pine?
D13: Ja, dat is hout ja, dat is vooral voor die dynamische zone. Maar, even kijken waar ik dat goed kan laten zien. Juist, we hebben... Hier zie je heel veel lichtstraten, bovenin, dus hier is het heel licht. Onderin is het gebouw wat donker, want het is een vrij diep gebouw, 30m. Dus wat wij hebben gedaan is de gesloten ruimtes die je hier ziet, die trappen naar boven toe met de vide mee en ook aan deze kant, die beginnen heel lichtgrijs onderaan, en gaan dan in stapjes naar heel donkerbruin boven. Per wereld is dat een kleurverschil. Waardoor het ook bijdraagt aan een natuurlijke navigatie in het gebouw, dat je weet waar je bent, door kleur. En ook dat het donker-licht helpt bij daglichtstrategie in het gebouw. Als we hier een hele donkere kleur hadden gedaan was dat te donker geworden, dus daarom hebben we 'm op die manier ingezet.
OZ: Waarom heb je maar twee kleuren gekozen?
D13: Ehm. Rust. Eenheid. En ook wel om die dynamische zone te benadrukken, want die donkere vloer, die bevindt zich altijd alleen maar in de breedte van de vide. En daar zit altijd die dynamische zone, dus die plek voor ontmoeting, is daar gesitueerd.
OZ: Ok. En de werkruimtes, hebben die een andere vloer dan?
D13: Ja, vanaf die dynamische zone, ik kan dat op de plattegrond wel even goed laten zien... Even kijken. Nee, die niet, deze. Dus we hebben, zeg maar, dit gebied is donkerbruine vloer en de rest is lichtgrijs.
OZ: Ok, dus het middengebied is dan een ontmoetingszone maar ook die werkplekken die daar aan liggen.
D13: Ja, dit zijn meer samenwerkingsgebieden. Dus ook omdat die aan een drukker gebied liggen hebben die ook meer dynamiek, en de rust gaat meer naar de rechterkant en de vleugel, en naar de uitersten.
OZ: Oh ja, dus de kamers waar je alleen zit of met z'n tween of vieren, die iets meer gesloten zijn, die liggen daar wat verder vandaan.
D13: Ja. ...
OZ: Ja. Dus tch rust, ook al is het een dynamisch gebied, toch heb je voor de rust maar een beperkt aantal kleuren gekozen?
D13: Ja. Nou, het is een beetje, dat zit vooral in de afwerking op bouwkundig niveau, voor vloeren en wanden, maar we hebben met meubels daarin ook diversiteit toegevoegd. Dus het kleurconcept voor los meubilair is precies andersom: donker beneden, licht boven. Dat gaat van donker, heel donker, naar heel licht. Maar we hebben dan, ongeveer 15 procent is een uitspattingen in kleur, dus een hele blauwe set of een hele groene set, of... Dus daar wordt die diversiteit mee opgezocht, dus dat is op kleinere schaal en niet op grote schaal van bouwkundige afwerkingen.
OZ: Ja, ok, dus af en toe zit er ineens een kleuraccent tussen voor die plek.
D13: Ja.
OZ: Ok, interessant.
D13: Ja, dat is bijvoorbeeld al een beetje zo'n hele set hier, die wijkt dan helemaal af van dat kleurconcept.
OZ: Juist. Nou helder. Ik ga maar even door vanwege het tijdsbestek dat je aangaf... Had je nog een ander project waarbij andere dingen speelden of andere oplossingen zijn gekozen, toevallig?
D13: Nou, wat misschien interessant is, is [klant y]. Wat we daar hebben gedaan is... Er wordt zeg maar nu in de werkomgeving, ook als je kijkt naar de FWR, die ken je wellicht?
OZ: Ja, die ken ik wel.
D13: Een werkplekstrategie, die geeft een verdeling aan van 75-25, ongeveer, voor bureauwerkplek en communicatie. En wat we voor [klant y] hebben gezegd: ok, kan, want de [klant] heeft dat ook als wenselijk geuit, van dat willen wij implementeren. En de arbo wil naar 100 procent bureauwerkplekken, en de [klant] wilde naar... Of de arbo, de OR, zo moet ik het zeggen, wilde naar 75-25, en wij hebben gezegd: nou, misschien wil je in een paar jaar wel naar 50- 50. Dat je dus 50% van je ruimtes in het gebouw voor ontmoeten maakt en de rest voor een bureauwerkplek. Dus dat je...
OZ: Wanneer speelde dit? Wanneer zeiden jullie dat: misschien wil je wel naar 50-50?
D13: Dit speelde twee jaar geleden, zoiets. En toen kwam dus corona inderdaad, of Covid, en dat heeft het nog meer versneld. Maar je wil daar flexibel in zijn, je wil plekken voor ontmoeten kunnen maken die nu misschien bureauwerkplekken in het gebouw zijn. En waarom dat vaak niet kan, is door de installaties, gewoon lucht. Je hebt er weinig lucht om meer mensen op een bepaalde plek te kunnen laten komen. 
Dus daar hebben we de techniek heel erg laten samenwerken met de indeling, zodat de capaciteit van de ruimte veranderd kan worden naar gelang de activiteit, of dat dan bureauwerk of ontmoeten is. Dus daar heeft dat technisch concept, dat installatieconcept, heeft heel erg bijgedragen aan het kunnen gebruiken voor beide activiteiten, hoofdfuncties, om daar flexibel in te kunnen zijn naar de toekomst toe.
OZ: Ja, interessant. Hoe hebben jullie daar dingen gedaan voor de gemeenschappelijke identiteit of de groepsidentiteit?
D13: Daar is... We gaan nog een ontwerpsprint doen in kwartaal n, volgend jaar. Maar we hebben daar in de tussentijd een bureau voor identiteit, dus die heel erg goed zijn in het analyseren van [klant] en wat dan de kern is. We hebben dat daar proberen te duiden in een karakter van een mens, en dat eigenlijk als uitgangspunten gesteld voor ruimtelijke vormgeving. Want eh, iemand die heel streng is, dat is een andere, kun je een andere uitstraling dan iemand die heel vriendelijk is. Dus we hebben geprobeerd, of we gaan proberen, dus ook echt daar vormgeving, materialisatie daarbij passend te laten zijn, bij dat karakter wat geduid wordt. Ja.
OZ: Ok, dus jullie hebben een bureau ingeschakeld om het karakter te schetsen van de organisatie en dat vertalen jullie dan weer in kleuren en materialen?
D13: Ja, deels. We hebben in het begin een soort karakter neergezet en we hebben daar ook... [klant] is een [type bedrijf], dus we hebben dat zelf ook als uit uitgangspunt genomen voor de architectuur en het interieur, dus een soort leidraad. Maar bijvoorbeeld signing en wayfinding is een heel belangrijk onderdeel van zo'n gebouw en daar hebben we het bureau dus voor ingeschakeld. 
Dus die doen ook weer een soort overkoepelende stap in bijvoorbeeld naamgeving van ruimtes. Dus dat zit echt ook op dt gebied, dus het is eigenlijk een sub-ding, maar die wel heel erg belangrijk gaat, zijn ook voor de gebruikers van dat gebouw. Of ze naar een ruimte lopen met de naam van de vorige [bestuurder] of naam van [plek in gemeente], en dit zijn twee hele stomme voorbeelden, maar dat doet heel veel met lokaliteit? En je onderdeel voelen van die stad, herkenbaarheid.
OZ: Ja. Ok. ...
D13: Heb je daar nog meer vragen over?
OZ: Ehm
D13: Het is een beetje abstract zo h, zonder beeld.
OZ: Dat is ook waarom ik dit interviews ophang aan concrete projecten hoor, dat maakt het makkelijker om er iets over te vertellen, zeker met beeld erbij. Maar ik kan me er wel iets bij voorstellen. Ja, heb je nog toevoegingen over [P23]?
D13: Ehm.... Even kijken. ... We hebben misschien best wel wat aangeraakt. ... Ehm. Ja. ... Ik denk dat, weet je, die... Misschien is het belangrijkste wel gewoon een beetje de sociale structuur van een gebouw eerst ontwerpen, en daar de zonering van een gebouw en daar je werkplekconcept op, dat die gaat samenwerken. Dat dat het beste is voor... sociaal gebruik van de plek. Sociaal is niet alleen ontmoeten, maar ook gewoon je terug kunnen trekken. Beide zijn heel belangrijk. En, ja, we hebben dr geprobeerd echt ruimte voor te kunnen maken. ... Ja.
OZ: Ja, en die structuur is wat jou betreft misschien wel belangrijker dan de uiteindelijke afwerking?
D13: Ja, zeker. Natuurlijk, uitstraling van een plek maakt of je er wil zijn, en dat is net zo belangrijk. Want als het onbehaaglijk is of niet prettig, of het licht is veel te fel of het knippert, dan wil je ook daar niet zijn. Dus dat zorgt er ook niet voor dat je blijft. Dus die condities zijn superbelangrijk om iemand te laten blijven in een gebouw. Maar daar is die sociale structuur, die zonering en het ruimtelijk plan, die, ja, het werkt samen. En we zeiden laatst, volgens mij, waar was dat nou, weet ik niet meer, een interview: als een gebouw goed werkt, dan valt het niet op, maar als het niet goed werkt, dan valt het wl op. Dus nou ja, het moet gewoon niet opvallen.
OZ: Ja, helder.

12


